NLP
Woordenlijst
Accessing
cues
Dit zijn subtiele non-verbale gedragingen die aangeven welk zintuiglijk
representatiesysteem wordt gebruikt. Bijvoorbeeld: oogpatronen, fysiologie
(houding), ademhaling, stemgebruik (toon en tempo) en gebaren.
Affiliatiefilter (Affiliating)
De behoefte van mensen om zich
aan te sluiten bij anderen. Eén van de Metaprogramma’s, welke een indicatie
geeft van de persoonlijke voorkeur om alleen te werken of deel uit te maken van
een team.
Afstemmen (Pacing)
Een methode die wordt gebruikt
om snel rapport op te bouwen door het eigen gedrag af te stemmen op het gedrag
van de ander. ‘Matching’ of ‘mirroring’ van gedrag. Bijvoorbeeld: Je
ademt in hetzelfde ritme als de ander. Je gaat in dezelfde houding zitten als de
ander. Of het gebruiken van dezelfde
accessing cues van de ander.
Alignment (Uitlijnen)
Zorgen dat alle elementen uit
de neurologische niveau’s (Logical levels) zodanig zijn uitgelijnd dat zij met
elkaar in harmonie (Congruent) zijn en elkaar ondersteunen bij het bereiken van een bepaald doel.
Alsof
kader (As-if frame”)
Een manier om creatief problemen op te lossen door te doen alsof iets al heeft
plaatsgevonden (is gebeurd) met de bedoeling om mogelijkheden te onderzoeken.
Stel je nou eens voor dat het wel is gebeurd zoals je wilde, wat was daarvoor
nou nodig? Als dit waar is, wat moet dan nog meer waar zijn? Als dit
gebeurde.... Als je het wel zou kunnen wat hoe ziet dat eruit?
Afstemmen
op (Pacing)
Een methode die wordt gebruikt om snel af te stemmen door het eigen gedrag af te
stemmen op het gedrag van de ander.
Ambiguïteit
(dubbelzinnigheid)
Vaag of abstract taalgebruik.
Dit in tegenstelling tot specifiek taalgebruik.
De ervaring die mensen hebben met zinnen die meer dan 1 ding betekenen,
bijvoorbeeld: Wie feliciteert de baas? Deze zin wordt door sprekers van het
Nederlands op twee manieren begrepen. 1.) Wie wordt door de baas gefeliciteerd.
2.) Door wie wordt de baas gefeliciteerd? In het transformationele taalmodel
wordt van een oppervlaktestructuur gezegd dubbelzinnig te zijn wanneer hij van
meer dan 1 dieptestructuur afgeleid kan worden.
Analoge
informatie
Analoge informatie komt overeen met zintuiglijk waargenomen informatie (het
beeld, geluid, gevoel). De 2 best bekende vormen van analoge communicatie zijn
lichaamsuitdrukking en stembuiging.
Analoog markeren
Het gebruik van stemtoon, lichaamshouding, gebaren etc. om sleutelwoorden in een
zin te markeren of om een specifiek gedeelte van je presentatie te markeren.
Anker
(Anchor)
Een anker is een externe (doelgerichte) stimulus die een bepaalde interne
toestand oproept. Ankers zijn spontaan geïmplementeerd of worden doelbewust
neergezet. Bijvoorbeeld een liedje genereert misschien een gevoel of herinnert
je aan een plek en/of iemand. Er wordt ook gebruik gemaakt van podium ankers
(bij het presenteren van theorie en beantwoorden van vragen wordt onderscheidt
gemaakt in de presentatieplek). Een ‘trigger’ is een spontane
stimulus die zodra deze in de omgeving wordt waargenomen een gedrag of een
gedachte starten. Bijvoorbeeld : zodra het stoplicht op rood springt, stop je
automatisch.
Ankeren (Anchoring)
Het proces waarin op het hoogtepunt van een interne ervaring (intense ,
emotionele stemming) een externe, specifieke stimulus aan deze ervaring
gekoppeld wordt. Iedere keer als de externe stimulus opnieuw wordt aangeboden
volgt de interne ervaring automatisch. Ankeren kan visueel, auditief,
gevoelsmatig via geur en via smaak.
Criteria voor het
plaatsen van een goed anker:
De intensiteit van de
ervaring (stemming).
Timing van het anker;
tijdens de piek van de ervaring.
Unieke eigenschap van de stimulus (het anker).
Exacte herhaling van de stimulus.
Ankerketting (Chaining anchors)
Een serie ankers die in een vaststaande volgorde worden geactiveerd, zodat in
een aantal stappen van een huidige ervaring (stemming) naar een gewenste
(stemming) wordt toegewerkt. Het is een techniek die kan worden gebruikt als de
gewenste, vermogende stemming aanzienlijk afwijkt van de huidige stemming.
Associatie (Association)
Je zit in de ervaring. De representatiesystemen (visueel, auditief, gevoel, geur
en smaak) zijn bij de herinnerde ervaring betrokken. Je kijkt vanuit het
perspectief van je eigen ogen, je hoort wat je toen hoorde, je voelt wat je toen
voelde. Dit noemen we geassocieerd.
Attitude
Attitudes zijn gebaseerd op
groepen van overtuigingen. Attitudes zijn het totaal aan waarden en
overtuigingen met betrekking tot een bepaald onderwerp. Onze attitudes zijn de
keuzen die wij hebben gemaakt.
Auditief
(Auditory)
Betrekking hebbende op geluid,
luisteren, horen. Een van de vijf primaire weergave systemen: visueel (beelden),
auditief (geluiden), kinesthetisch (gevoelens), olfactoir (geur) en gustatoir
(smaak).
Away from
Een meta programma waarbij een
persoon een voorkeur heeft in een tegengestelde gaat dan hij/zij zou willen.
Voorbeeld: Ik wil niet dat jullie rotzooi maken.
Back-Track
(Terugspoelen)
Je herhaalt in dezelfde tonatie in het kort de informatie die je hebt, je vat
als het ware samen. Hiervoor gebruik je de sleutelwoorden van de persoon. Handig
bij eenduidige samenvatting tijdens vergaderingen of samenvatten zonder oordeel.
Het helpt je om rapport op te bouwen. Het helpt je in vergaderingen om te zien
of de deelnemers allemaal op hetzelfde punt zijn aangeland.
B.A.G.E.L.
Model
Het model is ontwikkeld door
Robert Dilts. Het verschaft een set van micro non verbale gedragingen die kunnen
worden gebruikt bij het identificeren van bijvoorbeeld strategieën. De
waargenomen fysiologie geeft een indicatie voor zijn interne toestand.
Body posture
(houding)
lichaamshouding, spierspanning
Accessing cues
(non-verbaal) ademhaling,
stemgebruik
Gestures
gebaren
Eye movements
oogbewegingen
Language patterns
taal, predikaten
Overtuiging (Belief)
Overtuigingen zijn beweringen
over jezelf, over andere mensen, over de wereld om je heen. Het zijn beweringen
die voor jezelf waarheid bevatten. Je verbindt er gevoelens aan, omdat deze
overtuigingen belangrijk voor je zijn. Realiseer je echter dat overtuigingen het
tegenovergestelde zijn van feiten. Feiten zijn meetbaar en waarneembaar. Een
overtuiging is een innerlijk zeker weten en heeft niets te maken met de
realiteit. Een overtuiging wordt meestal gevormd door een veralgemenisering van
je ervaringen. Overtuigingen zijn meer bewust aanwezig dan waarden. Elke
overtuiging is op de een of andere manier gekoppeld aan een bepaalde waarde, die
waarschijnlijk onbewust is.
Betekenis frame
(Content reframing)
In een betekenis reframe
vervang je de oorspronkelijke betekenis uit de structuur van de overtuiging door
een nieuwe betekenis.
Bewust
onbekwaam
De tweede fase uit de leer
cyclus. Hierbij zijn we bewust van de nieuwe taak die we uitoefenen terwijl de
resultaten wisselend succes kennen. In deze fase is het leervermogen het
grootst.
Bewust bekwaam
De derde fase uit de leer
cyclus. Hierbij zijn we nog steeds volledig bewust van de activiteiten die we
uitvoeren waarbij de resultaten veel meer succes kennen dan in fase 2. De
vaardigheid is nog niet volledig geïntegreerd.
Calibreren
Het aflezen van iemands interne
toestand (stemming) uit zijn non verbale reacties (op grond van het feit dat je
dezelfde non verbale reacties meermalen gelijktijdig met die innerlijke ervaring
hebt waargenomen). Het herkennen van welke innerlijke processen deze non verbale
reacties een teken zijn. Het is een belangrijke eerste stap in NLP processen,
daarbij kalibreer je de non verbale reacties die horen bij de probleem situatie.
Daarbij let je op kleur van de huid, ademhaling, spanning van de huid, grootte
van de onderlip, ogen. Het geeft een referentie waaraan het succes van de
interventie kan worden afgelezen.
Change personal
history
Een NLP anker techniek waarbij
relevante ervaringen in het verleden met behulp van je huidige hulpbronnen
kunnen worden herbeleefd met als doel deze ervaring te transformeren in een
herinnering met positieve invloeden. Een manier om de emotionele impact van een
herinnering te veranderen. De negatieve ervaring verandert en/of je kunt nieuwe
conclusies verbinden aan de ervaring uit het verleden.
Chunken
(schakelen)
Schakelen naar een hoger of lager niveau. Informatie wordt globaler weergegeven
of juist in kleine stukjes verdeeld. Er worden drie manieren onderscheiden.
‘chunking down’:
Naar een lager abstractie niveau, waarin meer specifieke of concrete informatie
wordt gegeven. Voorbeeld: Hond=Duitse Herder.
‘chunking up’: Naar
een hoger abstractie niveau, waarin meer abstracte, globale informatie wordt
gegeven. Voorbeeld: Hond=Dier.
‘chunking
laterally’: Op hetzelfde abstractie niveau, waarbij zijwaarts wordt gezocht
naar voorbeelden worden gezocht die dezelfde informatie geeft. Voorbeeld: Kat
(hond en kat zijn beide voorbeelden van dieren).
Circle
of excellence
NLP techniek waarbij hulpbronnen worden geankerd (geconditioneerd) aan een
ingebeelde cirkel op de grond. (techniek van een gestapeld anker) Handig
bij presentaties en/of situaties waarbij maximale keuzemogelijkheden van belang
zijn.
Collapsing anchors (Verwijderen van
ankers)
NLP techniek voor het neutraliseren van gevoelens. Twee geankerde
(geconditioneerde) gevoelens worden tegelijkertijd geactiveerd. Er wordt
verwarring ervaren doordat beide gevoelens door elkaar lopen, dit verdwijnt
snel, waarbij de gewenste hulpbron overstijgend wordt. De positieve
emotie wint, omdat mensen als ze de keus krijgen tussen twee emoties onbewust
liever voor de prettige emotie kiezen.
Communicatiemodel
Beschrijving van de structuur van de (subjectieve) ervaring. Het model laat zien
dat er buiten ons allerlei gebeurtenissen plaatsvinden die wij waarnemen via
onze zintuigen. Vanaf het moment dat de externe prikkel, visueel, geluid (woord)
gevoel (aanraking), geur of smaak wordt waargenomen, beginnen onze hersens een
proces van verwerking. Daarbij passeert die informatie een aantal filters die
onder andere te maken hebben met de wijze waarop wij een interne voorstelling
hebben gevormd van de wereld om ons heen.
Competentie
Een bekwaamheid die voortkomt uit ervaren gedrag.
Congruentie
Letterlijk overeenstemming.
Toestand waarbij al je gedeelten (warden, overtuigingen, gedrag) het eens zijn
met de boodschap. Wat je zegt stemt volledig overeen met je fysiologie,
stemtoon. Tegengestelde: incongruentie.
Context
De context is de omgeving waarin zich een specifieke situatie voordoet. De
context is vaak van belang voor wat de interpretatie van een specifieke ervaring
of gebeurtenis betreft.
Criterium
De waarde die iemand gebruikt om beslissingen te kunnen nemen of een oordeel te
kunnen geven over de dingen om hem heen. Een criterium geeft aan wat in een
bepaalde context belangrijk is.
Definitie van NLP
Rapport
Zintuiglijk bewust
Resultaatgericht denken
Flexibiliteit van gedrag
Studie van de subjectieve ervaring
Modelleren
Communicatie technologie
NLP onderzoekt patronen of programma’s die zich uiten verbaal en non-verbaal.
Daarbij is het aandachtspunt de zintuigen, de verwerking van de informatie die
de zintuigen opnemen, de wijze waarop de opgenomen en verwerkte informatie zich
uit.
Delen
of subpersoonlijkheden
Het aanduiden van onafhankelijke programma’s, strategieën of gedrag. Het zien
van de mens als het geheel van meerdere subpersoonlijkheden met ieder een eigen
wereldmodel en eigen intentie. Het is een NLP techniek en ook bekend onder de
naam Voice Dialogue.
Deletion
(weglating)
De mens vormt zijn wereldbeeld met filters, de mens laat in het model wat hij
van de wereld om zich maakt informatie weg, generaliseert en vervormt. Hierdoor
verbinden we ons aan en interne voorstelling die niet overeenkomt met de
werkelijkheid. Delen uit de dieptestructuur zijn weggelaten, generaliseert en of
vervormt.
Derde positie
Waarnemingspositie waarin je
gedissocieerd van jezelf en de ander de interactie waarneemt tussen jezelf en de
ander.
Desidentificatie
Het onderkennen en doorbreken van bepaalde identificaties. In veranderwerk,
individueel, team, organisatie en/of project is het soms nodig om bepaalde
beperkende identificaties te doorbreken. Soms veradert de identiteit doordat
aanvullende vaardigheden, processen geïntegreerd worden. Zo ontwikkelt en
verandert een individu, team, afdeling, organisatie haar identiteit continu. In
NLP-termen gaat het erom doelondersteunende identificaties te hebben.
Dieptestructuur
(deep structure)
De volledige linguïstische weergave waaruit de oppervlaktestructuur van de taal
wordt afgeleid. Taal (woorden) dient als weergave systeem voor onze ervaringen.
Mensen delen hun weergave van ervaringen in een linguïstische weergave. De
woorden die gebruikt worden en de uitingsvorm, volgorde van woorden en zinnen,
verhalen, uitdrukkingen, intonatie etc. wordt de dieptestructuur genoemd.
Wanneer de mens begint te verwoorden maakt ze een serie keuzes, aangaande de
vorm waarin ze hun ervaring meedelen. De out-put in de vorm van woorden wordt
binnen de NLP de oppervlaktestructuur genoemd.
Digitale
informatie
Digitale informatie is de verwoording van die zintuiglijke waarneming
beschrijving van iets in een taalsysteem.
Disney Strategie
Een NLP strategie die de componenten creativiteit (fantasie), realisme, en
evaluatie (kritiek) onderscheidt en afzonderlijk van elkaar gebruikt bij het
ontwikkelen van iets. Brainstormen, verzinnen en uitwerken van ideeën
Dissociatie
Het ervaren van een gebeurtenis in het verleden, heden of toekomst van een
afstand. Je ervaart niet de emoties van de oorspronkelijke ervaring.
Bijvoorbeeld; je ziet jezelf in een vergadering in het verleden, heden of
toekomst de dingen doe die je deed, die je doet of gaat doen. Je hoort jezelf
denken. Handig om tijdelijk uit een emotie te komen.
Doel (outcome state)
De
weg van de huidige
situatie naar de gewenste situatie. Doelen of gewenste toestand of
gewenste ervaring die een persoon of organisatie wenst te bereiken.
Down-Time
(in jezelf)
Een status waarbij je aandacht naar binnen is gericht. Je registreert niet wat
er om je heen gebeurd. Zie ook up-time.
Ecologie (ecology)
Bij het controleren van de
verandering, het nieuwe doel, worden zodanige vragen gesteld dat duidelijk
gemaakt wordt of de verandering geen nieuwe of andere problemen oproept bij de
cliënt.
Ecologie vragen zijn:
Wat zal er gebeuren als
je het krijgt?
Wat zal er niet gebeuren
als je het krijgt?
Wat zal er gebeuren als
je het niet krijgt?
Wat zal er niet gebeuren
als je het niet krijgt
Emoties
Emoties zijn combinaties van gevoelens en gedachten die op hun beurt een
drijfveer vormen voor gedrag.
Eye accessing
cues
Oogbewegingen in een bepaalde
richting die een indicatie zijn voor visueel, auditief of kinesthetisch
verwerken van informatie. Oftewel welk zintuiglijk weergave systeem wordt op dat
moment gebruikt.
Feedback
geven
Feedback geven houdt in dat je een bepaalde intentie stuurt. Dit kan opbouwend
en corrigerend. Doel is dat de intentie gerealiseerd wordt.
Feedback
ontvangen
Signalen over jezelf ontvangen en wanneer ze voor je relevant zijn toe te laten
en te gebruiken als informatiebron ter beoordeling over je eigen handelen en/of
de effecten daarvan in overeenstemming zijn met je intenties.
Focus
Het vermogen om een positie in te nemen door voor jezelf te bepalen wat je wilt
en daar doelgericht aan werken. Of het vermogen om alle zintuiglijke
waarnemingen te centraliseren naar een doel. Een staat van gefocust zijn.
Frame
(kader)
Binnen NLP verwijst het naar de manier waarop we zaken in verschillende
contexten plaatsen zodat ze verschillende betekenissen krijgen.
Future
pacing (afstemmen op de toekomst)
Mentaal wordt een voorstelling gemaakt van een toekomstige situatie, waarin de
opgetreden verandering wordt getoetst. Doel is te ervaren en zeker te stellen
dat het gewenste gedrag in de toekomst automatisch en op een natuurlijke manier
zal plaatsvinden.
Fysiologie
(Physiology)
Hiermee wordt in NLP gedoeld op non-verbale reacties die samenvallen met een
innerlijke ervaren toestand of met een interne representatie.
Geblokkeerde
status (Stuck State)
In een geblokkeerde status ervaart men zich als geblokkeerd of gestresst,
hetgeen gepaard gaan met onaangename gevoelens. Keuzemogelijkheden worden niet
meer waargenomen of als niet meer toegankelijk ervaren.
Gedrag
(behaviour)
De specifieke acties en reacties, waarmee wij op de omgeving om ons heen
inspelen. Gedrag ontstaat door onze gedachten en fysiologie.
Generalisatie
(generalisation)
De mens vormt zijn wereldbeeld met filters, de mens laat in het model wat hij
van de wereld om zich heen ervaart delen weg, generaliseert en vervormt.
Hierdoor verbinden we ons aan een interne voorstelling die niet overeenkomt met
de werkelijkheid. Delen uit de dieptestructuur zijn weggelaten, generaliseert en
of vervormt.
Gestalt
Een verzameling herinneringen die met elkaar verbonden zijn, of die zijn
gegroepeerd rond een bepaald onderwerp.
Gestapeld anker (Stacking
anchors)
Een gestapeld anker is het
herhaald ankeren (op dezelfde plaats) van verschillende herinneringen. Het heeft
een versterkend effect, het leidt tot een krachtig anker.
Gevoelens
Gemoedstoestanden die de mens in reactie op de buitenwereld kan ervaren.
Vreugde, verbazing, woede walging, bedroefdheid, bezorgdheid.
Gewenste
toestand
Eindresultaat, gewenste status of gewenste ervaring die een persoon wenst te
bereiken.
Gustatoir
(Gustatory)
Betrekking hebbende op smaak en proeven.
Herkaderen
(Reframing)
Een NLP techniek waarbij een betekenis in een ander kader wordt geplaatst. Je
kunt herkaderen op inhoud en op context. Voorbeeld; “mijn team wil niet
luisteren naar mij” ten opzichte van een ander kader “mijn team heeft een
autonome positie”.
Hiërarchie
(Hierarchy)
Een manier om gegevens te structureren. Bijvoorbeeld een hiërarchie van
criteria, waarbij elk hoger gelegen criterium meer invloed heeft dan de
daaronder gelegen criteria.
Huidige
toestand/status (present state)
De subjectieve ervaring van een persoon op dit moment.
Hulpbron
(resource)
Een mentale weergave van het opgeloste probleem/uitdaging. Intern en extern.
Intern; een eigen beleving bij wat helpt bij het oplossen van het probleem en/of
uitdaging te overwinnen. Extern; Suggestieve krachten die een probleem of
uitdaging overwinnen. Denk bijvoorbeeld aan het placebo effect.
Hypnotische
taalpatronen (zie Milton model)
Ideomotorische
signalen
Ideomotorisch betekent dat de
bewegingen (motorisch) op ideo-niveau (op onbewust niveau) plaats vinden, zoals
een minuscuul trekje van de mond, of een pink die bij een ja-antwoord telkens
weer die haperende beweging maakt. Anders gezegd: ideomotorische signalen zijn
onbewuste reflecties van een op gang zijnde staat van bewustzijn. Een NLP-er die
de vaardigheid heeft om in uptime te blijven zal eerder de juiste koppelingen
kunnen herkennen die bestaan tussen taal, signaal en interne staat van de cliënt.
Incongruentie
(Incongruence)
Toestand waarin de non-verbale communicatie niet overeenstemt met de
boodschap. Niet volledig verbonden met gewenste doelen, het interne conflict zal
tot uitdrukking komen in iemands gedrag. Voorbeeld: Je zegt:’Ik ben blij’ en
je kijkt daarbij bezorgd. Tegenovergestelde van congruent.
Identiteit
Wie ben jij? De identiteit stuurt je overtuigingen, vaardigheden en gedrag. Zie
ook de neurologische niveaus van Robert Dilts.
Ingebedde
opdrachten (embedded commands)
Het verdekt aanbieden van opdrachten die zorgen voor actieve deelname van mensen
in het proces op het onbewuste gedragsniveau, zonder dat weerstand wordt
opgeroepen.
Inhoud
(content)
Inhoud is dat wat je zegt en de
betekenis daarvan. Proces is los van de inhoud de manier waarop iemand
informatie verwerkt.
Inlevingsvermogen
In staat andermans emoties te herkennen, erkennen en te verduren en op basis
daarvan je in de belevingswereld verplaatsen.
Innerlijke stem
De innerlijke stemmen die eenieder in zich kan hebben. Subpersoonlijkheden
gebruiken soms het auditieve kanaal.
Installeren
(Installation)
Het proces van het verwerven van een nieuwe strategie of gedrag. Bijvoorbeeld
met iets wat je zegt kun je onbewust iets bij een ander installeren. Weest je
dus bewust van wat je zegt.
Integriteit (Integrity)
Congruent en eerlijk.
Persoonlijke integriteit en ethisch handelen zijn noodzakelijk bij toepassing
van NLP technieken in de cliënt situatie.
Intentie (Intention)
Doel
van bepaald gedrag. Niet het gedrag zelf. Vaak wordt gezegd: Achter ieder
gedrag schuilt een positieve intentie, voor degene die dat gedrag vertoont. Met
een positieve bedoeling (intentie), maar niet perse met het gewenste resultaat.
Interne representatie (Internal
representation)
De manier waarop wij onze
herinneringen coderen. Oftewel de wijze
waarop informatie verwerkt en wordt opslaggeslagen. Beelden (V), geluiden
(A), gevoelens (K), geuren (G) en smaken (O).
Interne
dialoog
Het gesprek dat mensen in zichzelf voeren en waarmee keuzes worden overwogen en
betekenis wordt toegekend aan situaties. Zie ook oogbewegingen.
Kader
(Frame)
De context waarin een bepaalde situatie geplaatst kan worden om er betekenis aan
te verlenen.
Kaderen
(Framing)
Zie ook herkaderen. Kaderen
is een communicatie techniek die mensen ertoe brengt om 1 betekenis te
accepteren boven de andere. In de marketing veelvuldig toegepast.
Kalibreren
Op basis van zintuiglijke waarneming een verband leggen met de interne status.
Je let op non-verbale reacties die horen bij het probleem of uitdaging. Het is
een belangrijke eerste stap in NLP-interventies.
Kinestetisch
(kinaesthetic)
Gevoel en beweging.
Kritiek
Persoonlijke mening van een persoon vergeleken met een standaard.
Leiden
(leading)
Je kan leiden, sturen en pushen. Binnen NLP is het mogelijk om na rapport
gemaakt te hebben je gedrag te veranderen waardoor de andere persoon (cliënt)
automatisch gaat volgen. Pacing en Leading is een belangrijk onderdeel bij het
kunnen uitvoeren van andere NLP-technieken. Je gaat dus eerst de wereld
van de cliënt binnen en leidt hem naar conclusies die hij zichzelf kan toe
eigenen om de gewenste verandering te bereiken.
Lead system
Het zintuiglijk
representatiesysteem (visueel, auditief, kinesthetisch) waarmee intern
opgeslagen informatie wordt benaderd (zoeken). Het ‘leadsystem’ is de
sleutel om de toegang te krijgen tot opgeslagen informatie. Het is herkenbaar
aan oogbewegingen. Sequentie (opeenvolging) en positie geven informatie over
innerlijke processen.
Leerproces (Learning cycle)
Het 4-staps leerproces:
Leerstijlen Kolb (Learning
styles)
Verschillende manieren van
leren, waarbij iedereen zijn persoonlijke voorkeur heeft.
Concreet ervaren ('sensing/feeling')
Waarnemen en overdenken
('watching')
Analyseren en abstract
denken ('thinking')
Actief experimenteren
('doing')
Logische niveaus (Logical
levels)
Robert Dilts heeft het model
van de Logische niveaus ontwikkeld op grond van Gregory Bateson’s “Steps
into an Ecology of Mind.” Het is een interne hiërarchie waarbij elk hoger
niveau psychologisch gezien een lager niveau omvat Het hogere niveau heeft ook
veel meer impact.
In volgorde (van boven
naar beneden) worden de volgende niveaus gehanteerd:
Gregory Bateson
beschrijft de logische niveaus als volgt:
Matching
Het overnemen van het gedrag van een ander. Met het doel het tot stand brengen
van rapport. Voorbeeld; spiegelen van houding. Dit zie je vaak onbewust ontstaan
tussen mensen die met elkaar in gesprek zijn.
Een andere uitleg is het zien, horen en ervaren van overeenkomsten, het hierdoor
makkelijk vinden van aanknopingspunten met mensen.
Zie ook mismatching.
Metamodel
Een meta taal model ontwikkeld door John Grinder en Richard Bandler, waarin
taalpatronen worden geïdentificeerd die problematisch/uitdagend en/of
dubbelzinnig kunnen zijn.
Het taalmodel heeft de intentie om de oppervlakte structuur (taal, de gesproken
woorden) waarin delen zijn weggelaten, vervormd en/of gegeneraliseerd, door
middel van vraagstellingen, de ontbrekende delen uit de dieptestructuur (de
oorspronkelijke ervaring) te laten achterhalen. Het metamodel verbindt taal met
de ervaringen en kan worden gebruikt voor het verzamelen van informatie, het
verhelderen van betekenissen , het identificeren van beperkingen en het
vergroten van keuzemogelijkheden.
Meta Programma
Metaprogramma’s zijn interne (onbewuste) programma’s die je gebruikt om te
bepalen welke soort informatie je uit de werkelijkheid filtert en hoe je die
informatie verwerkt en waardeert.
Metapositie (Meta position)
Het denkproces over een
situatie als iets anders. Je kijkt en luistert naar jezelf en de ander terwijl
je waarneemt. Je bent als het ware gedissocieerd van de situatie.
Bekijkend vanuit een toeschouwerpositie. Ook wel derde positie.
Metafoor
Is een vorm van beeldspraak waarbij twee of meer ongelijke betekenissen met
elkaar worden verenigd in 1 nieuwe betekenis. Soms wollig omschreven in een mooi
verteld verhaal waar niets is wat het lijkt.
Tot “one-liners” De voorzitter ploegt door de vergadering” of “het is
hier een zwijnenstal”.
Een
metafoor is een overdrachtelijke uitdrukkingsvorm waarbij een boodschap wordt
verpakt in een verhaal of anekdote. Het bewustzijn hoeft de boodschap niet op te
pikken, maar het onbewuste kan op het juiste spoor worden gezet.
Milton
Model
Het Milton model wordt beschouwd als het omgekeerde van het Metamodel. Het
Milton en Metamodel vormen samen de basis voor NLP. Milton taal kan, in
tegenstelling tot het metamodel, onprecies en kunstig vaag van aard zijn, dit
zorgt ervoor dat de ander associatief (in zichzelf) een eigen betekenis
toevoegt. Door de gehanteerde spraakpatronen gaat de ander over naar een andere
stemming waardoor het onbewuste opent voor hypnotherapeutische werking.
Mirroring
Zie spiegelen.
Mismatching
Het bewust of onbewust gebruiken van andere gedragspatronen in relatie tot een
ander. Resultaat is dat het rapport wordt verbroken en dat de relatie met de
ander in een heroriëntatie komt. Een andere uitleg is het zien, horen en
ervaren van verschillen en hierdoor makkelijk vinden van afwijkingen of witte
vlekken. Handig bij kwaliteitsanalyses, bij beoordelen van aankopen en
onderhandelingen op het scherpst van de snede. Zie ook matching.
Modelleren
NLP is gebaseerd op het modelleren van het gedrag van bekwame
therapeuten. Het in kaart brengen van
gedrag en strategieën en daarmee vaardigheid. Door bijvoorbeeld goed gedrag van
een ander in kaart te brengen, is de volgende stap het integreren in jezelf of
ze aan een ander te leren. Modelleren is binnen NLP een basis begrip.
Neuro
Linguistisch Programmeren
In 1975 hebben John Grinder en Richard Bandler een serie technieken en
vaardigheden ontwikkeld op basis van modelleren. Ontleend van Alfred Korzybski (3
juli 1879 - 1950) grondlegger van de
algemene semantiek (Algemene semantiek is de filosofie die de reactie behandelt
op hetgeen wat om ons heen gebeurt en de betekenis die we daaraan geven).
Nominalisatie
Het taalkundig veranderen in een zelfstandig naamwoord van een woord dat tot een
andere klasse behoord. Een andere manier om een nominalisatie snel te
herkennen, is door vast te stellen dat het niet vast te pakken is.
Uitdagingen van de eventuele overtreding: De communicatie is slecht in dit bedrijf. Uitdaging: Hoe zouden we hier effectiever kunnen communiceren?
Kenmerkend aan een
nominalisatie is dat een werkwoord of bijvoeglijk naamwoord wordt omgezet in een
zelfstandig naamwoord.
Non-Verbaal
Zonder woorden (geluid) communiceren.
Neutrale
stand (separator state, ook wel brake state)
In een onderbrekende status/toestand ervaar je een neutrale of niet emotionele
toestand. Handig om een andere actuele toestand te onderbreken.
Olfactoir
(olfactory)
Betrekking hebben op het reukzintuig, ruiken.
Oogbewegingen
(eye accessing cues)
Oogbewegingen in een bepaalde richting kunnen een indicatie zijn (na kalibratie)
voor het visueel, auditief of kinesthetische leer en denkstijl.
Als
je recht voor iemand staat en de persoon aankijkt en bij 90 % van de mensen:
Ogen rechts naar boven: Visuele herinnering.
Ogen links naar boven: Visuele constructie.
Ogen horizontaal naar rechts opzij: Auditieve herinnering.
Ogen horizontaal naar links: Auditieve constructie (hoe zou iets klinken?).
Ogen rechts naar beneden: Auditief digitaal (ja/nee en goed/fout dialogen).
Ogen links naar beneden: Kinestetisch.
Open frame
Een kans voor iedereen om
commentaar naar voren te brengen of vragen te stellen over het aangeboden
materiaal tot aan dat moment. Wordt ook gebruikt om ervaringen te vertellen.
Oppervlakte
structuur (surface structure)
De woorden waarmee een beschrijving wordt gegeven van een interne re-presentatie
die gebaseerd is op zintuiglijke waarneming. De oppervlakte structuur is de
weergave, de woorden die gebruikt worden. Zie ook dieptestructuur.
Out
framing
Bepaalde mogelijke bezwaren worden uitgesloten door het zetten van een kader. Ik
zal elke vraag beantwoorden behalve de vragen behorende bij deze kwestie die
zullen in een later stadium worden beantwoord. Out framing is een handige
communicatietechniek bij vergaderingen of presentaties.
Overlap
Het gebruiken van een voorkeur
representatiesysteem om vervolgens toegang te krijgen tot andere
representatiesystemen. Bijvoorbeeld: Je ziet jezelf lopen in een bos en je hoort
vervolgens de geluiden van vogels om je heen en zachtjes voel je de wind door je
haren strijken.
Overtuiging
(Belief)
Een overtuiging is een generalisatie over de werkelijkheid, op basis van een
beperkt aantal ervaringen. Op basis van overtuigingen creëert de mens haar
eigen model van de wereld. Het zijn beweringen die voor jezelf waarheid
bevatten. Het zijn geen feiten die meetbaar en waarneembaar zijn.
Parts
(delen)
Het op metaforische wijze
aanduiden van onafhankelijke programma’s, strategieën of gedrag. Het zien van
de mens als het geheel van meerdere subpersoonlijkheden met ieder een eigen
wereldmodel en eigen intentie. In het veranderingswerk zoek je de hoogste
positieve intentie die de delen verbindt en laat ze vervolgens integreren. Als
mens heb je geen delen nodig om te kunnen functioneren. Vaak wil je iets gaan
doen, maar ‘iets’ houdt je tegen.
Patroon
doorbreken (Patern interrupt)
Een gedragspatroon doorbreken. Dit doe je door het patroon op een andere manier
te benaderen. Een patroon is eigenlijk een onbewuste handeling, wanneer je die
onderbreekt bij de ander dan staat het onbewuste open voor een vervolg en vanuit
deze ervaring ga je naar de reactie die je wilt creëren.
Predikaten (Predicates)
Het zijn proces woorden, zoals
werkwoorden, bijwoorden en bijvoeglijke naamwoorden, die iemand gebruikt om het
onderwerp te beschrijven. In NLP worden predikaten vaak gebruikt om te
achterhalen welk representatiesysteem iemand op zeker moment gebruikt. Daarnaast
geeft het gebruik van predikaten de mogelijkheid tot het opbouwen van rapport. Het
leer en denksysteem wordt blootgelegd. Bijvoorbeeld; “Zoals ik het zie” (V),
“Zoals ik het hoor” (A), “Zoals ik het voel” (K) Of: Er ging mij
een lichtje branden. Er gaat een belletje rinkelen. Ik voelde wat er stond te
gebeuren.
Primaire
gevoelens
De impuls of gevoel dat in een situatie het eerst ontstaat.
Primair
representatiesysteem
Het voorkeursysteem om intern opgeslagen informatie naar buiten te brengen.
Herkenbaar aan predikaten.
Proces
en inhoud
Inhoud is wat je doet, terwijl proces is hoe je doet. Wat je zegt is de inhoud,
hoe je het zegt is het proces. NLP is vooral geïnteresseerd in het proces. Hoe
doen de mensen de dingen die ze doen.
Processturing
Inhoud en proces, kennis en emotie, beiden hebben een succesbepalende rol in
processturing. Door beide effectief op te pakken ben je in staat een
groepsproces te sturen.
Rapport
Het makkelijk tot stand brengen van vertrouwen, harmonie en samenwerking door de
ander te ontmoeten in zijn of haar model van de wereld.
Rapport is kenmerkend in:
Vertrouwen.
Gevoelsmatige betrokkenheid.
Bereidheid om elkaar te volgen (volgen en leiden).
Respect voor elkaars model van de wereld.
Sterk op elkaar gerichte aandacht.
80%
Van een succesvol (coaching) gesprek is afhankelijk van de relatie tussen
beiden, 20% van welke techniek wordt aangeboden.
Reframing
Zie herkaderen.
Representatiesystemen
De vijf zintuigen; zien, horen, voelen, proeven en ruiken.
Resource
Zie hulpbron.
Satir rollen
Ook wel Satir-posities genoemd.
Dit zijn houdingen of communicatie patronen die mensen aannemen. Ze zijn
geformuleerd door Verginia Satir. Vaak heb je voorkeur voor een van de vijf
posities. In presentaties kan het nuttig zijn de posities te wisselen
afhankelijk van wat je op dat moment communiceert.
De Satir-posities zijn:
Schaduw
kant
De kant van jezelf die je soms liever niet ziet en waar anderen zich soms aan
storen. Het leidt regelmatig tot gedrag dat dwars op je intenties lijkt te
staan.
S.C.O.R.E.
Model
Dit model is ontwikkeld door
Robert Dilts en Todd Epstin. Het is een model voor het verzamelen van relevante
informatie noodzakelijk voor het effectief organiseren van informatie met
betrekking tot veranderingswerk.
De volgende vijf
elementen zijn nodig:
SYMPTOOM - De
uiterlijk en vaak bewuste kenmerken van de probleem situatie.
CAUSE(S)
(Oorzaak) - onderliggende elementen die de oorzaak vormen.
OUTCOME (Doel) -
Het beoogde doel, de gewenste ervaring.
RESOURCES
(Hulpbron) - Elementen nodig om het doel te bereiken en in stand te houden.
EFFECT - Het
resultaat op lange termijn.
Secundaire
gevoelens
Secundaire emoties zijn de
reactie op onze primaire gevoelens. Veelal maken we geen onderscheid in onze
ervaring tussen beide: de primaire en secundaire gevoelens. Het onderscheid
tussen beide ervaringen is echter zeer centraal in het werken met gevoelens. Wat
is nu precies het verschil tussen beide? “Ik
ben niet boos maar wel verdrietig”. In dit voorbeeld kan verdrietig als
secundair worden opgevat en wordt in deze context als meer acceptabel
gewaardeerd, boven het primaire gevoel.
Sensaties
De verschillen die onze zintuigen kunnen waarnemen. Licht/donker, warm/koud,
lawaai/stilte etc.
Separator
state
Zie neutrale status/toestand.
Sleight
of Mouth patterns
Ontwikkeld door Robert Dilts
door het modelleren van de door Richard Bandler gebruikte taalpatronen. Verbale
herkaderingen of conversationele patronen die zijn gebaseerd op een
complexe equivalentie of oorzaak-gevolg bewering, met als doel het veranderen
van een overtuiging.
Het is een NLP techniek om de aandacht en perceptie van iemand zo te sturen naar
een andere, nieuwe ervaring.
Voorbeeld: Hij heeft mij in de steek gelaten dus kan ik niet gelukkig zijn.
Intentie: Wat is het voordeel van niet gelukkig zijn?
Definieer opnieuw: Wat is gelukkig zijn precies voor jou?
Consequentie: Wat gebeurt er als je niet gelukkig bent?
Chunk Down: Zijn er kleine dingen in het leven waar je wel gelukkig van wordt?
Chunk up: Wat betekend het voor je als je gelukkig bent?
Anologie: Er zijn heel veel mensen die in de steek gelaten zijn en gelukkig zijn.
Reframing: Betekend dit dat je altijd niet gelukkig bent?
Andere outcome: Je hebt nu de vrijheid om anderen te ontmoeten.
Ander wereldmodel: Heeft iedereen daar last van als ze in de steek worden gelaten?
Realiteitstrategie: Hoe weet je dat het waar is? Wat doen anderen om zich zo te voelen?
Tegenvoorbeeld: Mijn buurvrouw is in de steek gelaten door haar vriend, die haar
domineerde, zij is nu gelukkig.
Hiërarchie van criteria: Wat is er belangrijker dan “niet gelukkig zijn”?
Pas het toe op de spreker:
Hoe lastig is het om “niet gelukkig zijn” te veranderen?
Meta kader: Waar moet je overtuigd van zijn om wel gelukkig te zijn?
Smart
Een SMART-doelstelling is richtinggevend:
het geeft aan wat je wilt bereiken en stuurt het gedrag van je medewerkers en
van jezelf. Bovendien wordt aangegeven welke
resultaten wanneer moeten worden bereikt.
Specifiek
(passend in de context).
Meetbaar.
Acceptabel (verruimt het de keuzemogelijkheden).
Realistisch (haalbaar succes).
Tijdgebonden.
Spiegelen
(mirroring)
Het gedrag van een ander nadoen in spiegelbeeld. Een eerste stap om rapport op
te bouwen. Soms ervaar je direct het wereldbeeld van de ander.
Spinning
Wanneer
je een gevoel hebt is het mogelijk om dat gevoel in je lijf te traceren en te
onderzoeken hoe het beweegt. Vervolgens kun je daar iets mee doen om het nog
beter te maken of te veranderen.
Stimulus
respons
De basis voor het ankeren. Gedemonstreerd door Ivan P. Pavlov hij legde een
verband tussen het rinkelen van een belletje en speekselvorming bij een hond.
Het is een natuurlijk leerproces wat onbewust veel voorkomt.
Strategie (Strategy)
Een opeenvolging van stappen
die tot een bepaald resultaat leidt. Strategie is iedere interne en externe set
van ervaringen die constant een specifieke uitkomst oplevert. Een strategie
bestaat uit een opeenvolging (syntaxis) van representaties die leiden tot een
specifiek resultaat In NLP is het belangrijkste aspect van een strategie de
representaties die worden gebruikt om de strategie tot stand te brengen.
Bijvoorbeeld een koopstrategie: V->K->Ad. Dus ik zie iets, krijg daarbij
een bepaald gevoel en zeg tegen mijzelf dat ik het koop.
Structuur (Structure)
Structuur is de ordening van de
elementen en hun onderlinge relaties. Structuur staat los van de inhoud. Het is
de manier waarop iemand informatie verwerkt. Wat is zijn interne programma
(strategie). Inhoud is dat wat je zegt en de betekenis daarvan.
Submodaliteiten
De manier waarop een subjectieve ervaring is opgebouwd.
bijvoorbeeld:
Visueel - kleur, vorm, beweging,
helderheid, diepte etc.
Auditief - Volume, toonhoogte,
tempo etc.
Gevoel - Temperatuur,
vochtigheid, locatie van gevoel op of in je lichaam etc.
Succes (Vijf
grondbeginselen voor succes)
De vijf sleutels zijn:
Ken je uitkomst.
Onderneem actie.
Wees zintuiglijk scherpzinnig.
Wees flexibel in je gedrag.
Ga te werk vanuit een fysiologie en psychologie gericht op het bereiken
van perfectie.
Swish
Pattern
Een veranderingspatroon op
basis van sub-modaliteiten waarbij een huidige (negatief ervaren) situatie wordt
vervangen door een gewenste (positief ervaren) situatie. Dit doen wij door het
met een ‘Swish’ het ene beeld te laten vervagen naar de horizon en het ander
beeld heel snel ervoor te plaatsen. De herhaling zorgt voor blijvend resultaat.
Synesthesie (Synaesthesia)
Het proces van overlap tussen
twee representatiesystemen die gekarakteriseerd kunnen worden door de structuur
van ‘zien/voelen’, waarbij een persoon het gevoel direct ontleent aan wat
hij ziet of door de structuur van ‘horen/voelen’, waarbij de persoon het
gevoel direct ontleent aan wat hij hoort. Het is een neurologische verbinding
tussen twee representatiesystemen die gelijktijdig opereren. Bijvoorbeeld: je
ziet (Ve) een spin en raakt in paniek (Ki). Of een andere twee stap
strategie(Ae/Ki), Je hoort een muziekje en komt in een fijne stemming, vaak
realiseert de persoon in kwestie zich niet wat er gebeurt.
Tijdlijn
(timeline)
Verleden, heden en toekomst zijn oproepbaar in ons. We kunnen beelden, geluiden,
gevoelens, geuren en smaken op een tijdlijn plaatsen en zo ervaringen terughalen
in het hier en nu zetten en verplaatsen naar de toekomst. Ook kunne we
met nieuwe hulpbronnen terug te gaan op de tijdlijn en met behulp van deze
hulpbronnen de oude situatie nog eens te bekijken.
T.O.T.E.
Dit model is ontwikkeld door
Miller, Galanter en Pribram. Het model beschrijft een stuurkundige lus waarin
een huidige situatie wordt vergeleken met een gewenste situatie net zolang tot
de lus kan worden verlaten. De letters staan voor:
Trigger, ook Test
genoemd; waarmee de strategie begint.
Operate; het
herinneren, creëren of verzamelen van informatie over de interne en externe
wereld die nodig is voor de strategie.
Test; een
vergelijking in het zelfde representatie systeem met behulp van tijdens de
trigger of eerste test opgestelde criteria.
Exit; is een
weergave van de resultaten van de test.
Toegangssignalen (Zie
accessing cues)
Trance
Een veranderde
bewustzijnstoestand die wordt gekenmerkt door naar binnen gerichte concentratie
en een beperkte externe aandacht. Met als doel het vergroten van het contact met
onbewuste hulpbronnen. Verder zijn cliënten in trance beter ontvankelijk voor
directe opdrachten (suggesties) met als doel effectieve resultaten.
Transderivationeel
zoeken
Het een onbewust en automatisch zoekproces
in iemands herinnering naar andere ervaringen waarvan het huidige gedrag is
afgeleid.
Tweede
positie (second position)
Waarnemingspositie vanuit de ander. Je bekijkt of ervaart de situatie vanuit de
ander zijn/haar perspectief.
Tweede
winst (secundaire gain)
Een roker die rookt omdat het hem/haar een houding geeft in gezelschap of
hem/haar helpt ontspannen.
Up
time
Status waarbij je aandacht volledig naar buiten is gericht. Je besteed geen
aandacht aan interne processen. Zie ook down-time.
Utiliseren
(utilization)
Een NLP techniek waarbij je specifiek gedrag of strategie overneemt met het doel
de reactie van een ander te beïnvloeden. Terwijl je in een vergadering zit geef
je aan dat de lege stoel vandaag bezet wordt door iemand die niet aanwezig kon
zijn. Je gebruikt een lege stoel om aanwezigheid te genereren.
Vaardigheden
Een gedragsmogelijkheid waarover iemand bezit.
Vervormen (Distortion)
Eén van de drie universele
modelleringprincipes (weglating, generalisatie en vervorming) waarmee het
wereldmodel wordt gevormd en in stand gehouden. In het model dat wij van de
wereld om ons heen maken zijn delen vervormd. Wij verbinden ons aan een interne
voorstelling die niet overeenkomt met de werkelijkheid. Delen uit de
dieptestructuur zijn vervormd. Eén van de meest bekende vormen van vervorming
is het weergeven van een proces door een gebeurtenis. In taal noemen wij dit een
nominalisatie.
Visueel
(Visual)
Betrekking hebbende op zien,
kijken.
Visualiseren (Visualization)
Het zien van beelden.
Visual squash
Een techniek waarbij twee
interne delen (polariteiten van elkaar) onderhandelen met elkaar door het
identificeren van de hogere positieve intentie van ieder deel met als resultante
het integreren van beide delen in één groter geheel.
Voice
Dialogue (zie parts, delen)
Vooronderstellingen (Presupposition)
Een serie aannames die
noodzakelijk zijn om zin te geven aan de theorie. We weten niet zeker of ze waar
zijn, wat we wel weten is dat ze wel werken. Eigenlijk zijn het overtuigingen.
Het integreren van de vooronderstellingen van NLP is één van de sleutels voor
succes.
Veronderstelling van
taal
Een zin die waar moet zijn, wil
een andere zin betekenis kunnen hebben. Bijvoorbeeld: Welke vragen heb je? Dit
vooronderstelt dat er vragen zijn.
Vormvoorwaarden voor
succes
Dit betreft een aantal
voorwaarden waaraan voldaan moet worden ten einde een effectieve en ecologische
uitkomst te geven. In NLP wordt een doel getoetst aan de volgende vijf
vormvoorwaarden:
Positief geformuleerd.
Afhankelijk van eigen vermogens.
Zintuiglijk specifiek.
Tijd gespecificeerd.
Ecologisch verantwoord.
Waarden
De dingen die we belangrijk vinden. Er kan een onderscheidt gemaakt worden in
doelwaarden daar waar je naar streeft en bestaande waarden die je als
vanzelfsprekend ervaart. Waarden geven richting en overtuigingen sturen je
gedrag.
Waarnemingsposities
Visualisatietechnieken hanteren drie waarnemingsposities.
Eerste positie: Vanuit je zelf.
Tweede positie: Vanuit de ander.
Derde positie: Waarnemer van eerste en tweede positie (helicopter view)
Wereldmodel
Een interne re-presentatie van een persoon. Opgebouwd uit samenhangende
verwachtingen en overtuigingen. Hiermee worden ervaringen geordend en een
(subjectief) model van de wereld gemaakt.
Weglaten
Zie deletie
Zelf
motivatie
Je motieven verwoorden en omzetten in doelen, acties en in staat zijn aandacht
blijvend te richten op het doel. Het hebben van een intern referentie kader.
Zelfreflectie
Je eigen gevoelens en gedachten kunnen registeren en te benoemen. Het nemen van
verantwoordelijkheid van je eigen gedrag.
Zoeksysteem
(leadsystem)
Het zintuigelijk systeem dat gebruikt wordt bij het terugvinden of ontwikkelen
van informatie uit het verleden, heden en toekomst.